Misschien hebt u recent als beëdigd tolk op de rechtbank niet enkel vóór, maar ook na uw tolkprestatie een eed moeten afleggen…

In principe moeten beëdigd tolken niet langer een eed afleggen wanneer ze bijvoorbeeld bij een rechtszaak in de rechtbank tolken. Ze moeten slechts één keer de eed afleggen: wanneer ze in het nationaal register ingeschreven worden.

Het nationaal register is echter nog niet operationeel. De nieuwe vereisten om in het register te worden opgenomen (taalkennis, juridische kennis, deontologie…), zijn nog niet van kracht. Als je vandaag in het register zit, dan is dat omdat je al beëdigd was vóór de invoering van dat register.

Wat gedaan? De tolk de eed op zitting doen afleggen? Of niet? Het nieuwe? Of het vroegere?

In afzonderlijke omzendbrieven raden zowel de procureur-generaal in Brussel als de procureur des konings in Antwerpen aan de vroegere eed te gebruiken (Ik zweer dat ik trouw het gezegde zal vertalen, dat moet worden overgebracht aan degenen die een verschillende taal spreken). Door een ‘fout’ in de wetgeving, wordt bovendien aangeraden om op het einde van de tolkprestatie opnieuw een eed te doen afleggen (“Ik zweer dat ik mijn opdracht nauwgezet en eerlijk vervuld heb”).

Zodra de overgangsperiode van het nationaal register afgelopen is en de beëdigd tolken in het register beantwoorden aan de nieuwe eisen (taalkennis, juridische kennis, deontologie…) zullen de beëdigd tolken enkel bij hun inschrijving de eed moeten afleggen en dus niet langer bijvoorbeeld ter zitting.

Na die overgangsperiode zullen enkel de tolken die niet in het register zitten en op wie een beroep wordt gedaan bijvoorbeeld omdat er geen geregistreerde tolk voor een specifieke taal beschikbaar is, de eed nog moeten afleggen.